Naar de inhoud

Blog · 13 september 2026

’t Kofschip is niet het antwoord op elke werkwoordvraag

Iedereen kent 't kofschip. Precies daardoor passen kandidaten het toe op zinnen waar het niet over gaat, en dat kost punten op de taaltoets.

Onderdeel van De taaltoets van de politie

Vraag iemand naar werkwoordspelling en je krijgt ’t kofschip. Het is het enige stukje grammatica dat vrijwel iedereen uit de basisschool heeft meegenomen, en dat is meteen het probleem: het wordt toegepast op zinnen waar het helemaal niet over gaat.

Waar ’t kofschip over gaat

Over de verleden tijd. Meer niet. De regel zegt: eindigt de stam van het werkwoord op een van de medeklinkers uit ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan krijgt de verleden tijd -te. In alle andere gevallen -de.

Dansen heeft de stam dans, die eindigt op een s, dus: hij danste. Bouwen heeft de stam bouw, die eindigt op een w, dus: hij bouwde.

Zo ver gaat het meestal goed. Het gaat mis bij de zin ernaast.

De zin bepaalt de tijd, niet het werkwoord

Kijk naar deze twee:

Zin Tijd Juiste vorm Regel
De agent ___ rustig verder terwijl de melding binnenkomt. tegenwoordig bouwt stam + t
Vroeger ___ mijn buurman dat ook. verleden bouwde ’t kofschip

Hetzelfde werkwoord, twee verschillende antwoorden, en maar één van de twee heeft iets met ’t kofschip te maken. Wie meteen aan de w en aan -de denkt, vult bij de eerste zin bouwde in en heeft hem fout. Niet omdat hij de regel niet kent, maar omdat hij hem toepast voordat hij naar de zin heeft gekeken.

De volgorde die het voorkomt

  1. Lees eerst de zin, niet het werkwoord. Staat er gisteren, vroeger, vorig jaar? Dan verleden tijd. Staat er terwijl, elke ochtend, nu? Dan tegenwoordige tijd.
  2. Bepaal het onderwerp. Enkelvoud of meervoud, en welke persoon.
  3. Pas dan de regel toe. Tegenwoordige tijd, enkelvoud, derde persoon: stam + t. Meervoud: de infinitief. Verleden tijd: nu pas ’t kofschip.

Drie stappen, waarvan de eerste twee gratis zijn en de meeste fouten voorkomen.

De twee uitzonderingen die je moet kennen

De stam eindigt al op een t. Dan komt er in de tegenwoordige tijd geen tweede bij. Zetten heeft de stam zet, dus: hij zet. Niet zett. In de verleden tijd wel: hij zette.

De stam eindigt op een d. Dan zie je in de tegenwoordige tijd wel een dt, en dat voelt fout terwijl het klopt. Vinden heeft de stam vind, dus: hij vindt. Antwoorden: hij antwoordt. Hier haalt bijna iedereen een keer zijn schouders op, en dan is het toch echt met dt.

Waarom dit op de taaltoets zwaar weegt

Het onderdeel schrijven van de taaltoets wordt eerst op inhoud beoordeeld en daarna onder meer op werkwoordspelling. Dat is een van de weinige stukken waar geen interpretatie in zit: het is goed of het is fout, en het is te leren.

Dat maakt het ook het onderdeel met de beste verhouding tussen tijd en resultaat. Begrijpend lezen verbeter je in maanden. Werkwoordspelling verbeter je in avonden, mits je bij elke fout terugleest waarom het antwoord is wat het is en niet alleen dat het fout was.

Een korte zelftest

Vul in en kijk daarna naar de regel:

  • Hij ___ elke ochtend voordat de dienst begint. (missen)
  • Gisteren ___ zij tot laat door. (werken)
  • De collega ___ dat liever meteen. (regelen)
  • Vorige week ___ hij precies hetzelfde. (zeggen)

De antwoorden zijn mist, werkten, regelt en zei. Bij de eerste en de derde speelt ’t kofschip geen rol. Bij de laatste ook niet, want dat is een onregelmatig werkwoord, en die zijn er ook nog.

← Alle artikelen

Klaar om echt te oefenen?

Met het Complete pakket train je alle onderdelen van de selectie, met uitleg na elke vraag en je voortgang per onderdeel.

Direct toegang · iDEAL · 30 dagen geld terug