De taaltoets van de politie hoort bij stap 3 van de selectieprocedure: je maakt hem op de selectiedag, op dezelfde dag als de sporttest en de verificatietoets. Hij duurt ruim dertig minuten en je maakt hem op de computer.
Niet iedereen maakt de taaltoets
Er wordt gekeken naar je hoogst genoten opleiding. Heb je een mbo 4-, havo- of vwo-diploma, dan hoef je de taaltoets niet te maken, tenzij het een buitenlands diploma is. Zit je in het laatste jaar van je mbo 4-opleiding of havo en heb je nog geen examen gedaan, dan maak je hem wel.
Kijk in je uitnodiging of het voor jou geldt. Het scheelt een onderdeel om je zorgen over te maken.
Wat de toets van je vraagt
Je taalvaardigheid wordt gemeten met vragen op drie gebieden:
- Begrijpend lezen. Een tekst lezen en er de juiste informatie uit halen.
- Grammatica. De regels van het Nederlands, waaronder werkwoordsvormen.
- Woordenschat. Weten wat woorden betekenen en welk woord op welke plek hoort.
De reden dat de politie hierop toetst is concreet: als agent haal je de juiste informatie uit een getuigenverklaring en schrijf je daar een proces-verbaal over. Dat leer je verder in de opleiding, maar de basis moet er zijn.
Hoe de toets werkt
De taaltoets is adaptief. Je begint met een relatief makkelijke vraag; beantwoord je die goed, dan wordt de volgende moeilijker. Ga je de fout in, dan wordt hij weer wat makkelijker. Zo zoekt de toets je niveau op.
Dat heeft twee gevolgen die het waard zijn om vooraf te weten. Je krijgt tijdens de toets niet te zien of een antwoord goed was. En als je je best blijft doen, krijg je uiteindelijk alleen nog vragen die voor jou moeilijk zijn. Vrijwel iedereen loopt er daardoor uit met het gevoel dat het slecht ging. Dat gevoel zegt niets over je score.
Wat wij oefenen
Alle drie de gebieden waarop de toets vragen stelt: begrijpend lezen, grammatica en woordenschat. Het zwaartepunt ligt bij de regels, en dat is met opzet: dat is het deel dat je kunt leren en waar de meeste fouten zitten.
Bij begrijpend lezen krijg je een korte tekst met een vraag erover, in wisselende tekstsoorten: een nieuwsbericht, een brief, een stuk uit een regeling. Bij woordenschat gaat het om woorden die je in een proces-verbaal en in ambtelijke stukken tegenkomt, van bondig en ooggetuige tot gerede twijfel en ambtshalve.
Wat wij niet kunnen vervangen is veel lezen. Dat bouwt je woordenschat en je leesvaardigheid op een manier op die geen oefentest nabootst, en de politie adviseert het zelf ook. Op kombijde.politie.nl staat bovendien een gratis oefentest voor de taaltoets; doe die, want dan weet je hoe de vraagvormen eruitzien.
Begrijpend lezen: hoe je een tekst aanpakt
Voor het lezen
- Scan de tekst. Bekijk de titel, de kopjes, illustraties en opvallende woorden.
- Bepaal de tekstsoort en voorspel waar de tekst over gaat.
- Bepaal je manier van lezen: zoekend, globaal of intensief.
Tijdens het lezen
- Lees actief en let op de verbanden tussen de tekstdelen.
- Let op signaalwoorden die een verband leggen, zoals oorzaak en gevolg of een tegenstelling.
- Bepaal of het om meningen of om feiten gaat.
- Let op het taalgebruik en de woordkeuze van de schrijver.
Vijf fouten die in de oefenresultaten steeds terugkomen
- De tijd van de zin overslaan. ’t Kofschip gaat over de verleden tijd. In een zin die in de tegenwoordige tijd staat heb je er niets aan.
- Hun als onderwerp. Hun hebben bestaat niet. Als onderwerp is het zij, als meewerkend voorwerp hun, als lijdend voorwerp hen.
- Apostrofs strooien. Alleen na een losse klinker: foto’s, taxi’s, agenda’s. Na een medeklinker gewoon een s: tafels.
- Samenstellingen los schrijven. In het Nederlands schrijf je ze aan elkaar: sportschool, niet sport school. Dit is de fout die het vaakst uit het Engels overwaait.
- De vraag te snel lezen. Bij begrijpend lezen staat het antwoord bijna altijd in de tekst. De fout zit meestal in de vraag, niet in de tekst.
Kun je je voorbereiden op de taaltoets?
Gedeeltelijk, en het is goed om te weten welk deel.
Begrijpend lezen en woordenschat zijn vaardigheden die je over maanden ontwikkelt. Daar helpt vooral veel lezen, en dat advies staat niet voor niets ook onderaan deze pagina.
Grammatica, spelling en werkwoordspelling zijn iets anders. Dat zijn regels, en regels kun je leren. Het aantal regels dat je nodig hebt is beperkt, en de fouten komen bij bijna iedereen uit hetzelfde hoekje. Wie honderd werkwoordvragen maakt en na elke fout leest waarom het antwoord is wat het is, haalt daar in een paar weken het meeste uit.
Dat is ook waarom onze oefenvragen na elk antwoord de regel laten zien in plaats van alleen goed of fout. Je score bijhouden zegt niets als je je eigen fout blijft herhalen.
Veelgestelde vragen over de taaltoets
Moet ik de taaltoets maken?
Dat hangt af van je hoogst genoten opleiding, niet van de functie waarop je solliciteert. Met een mbo 4-, havo- of vwo-diploma ben je vrijgesteld, tenzij het een buitenlands diploma is. Kijk voor de eisen die op jouw moment gelden op kombijde.politie.nl en in je uitnodiging.
Waaruit bestaat de taaltoets?
Uit vragen over begrijpend lezen, grammatica en woordenschat. De toets duurt ruim dertig minuten en past zich aan je niveau aan.
Krijg ik te zien of ik een vraag goed had?
Nee. Tijdens de toets hoor je niets. Dat is ook de reden dat vrijwel iedereen hem als moeilijk ervaart: hoe beter je het doet, hoe zwaarder de vragen worden.
Wanneer maak ik de taaltoets?
Op de selectiedag, samen met de sporttest en de verificatietoets. Aan het eind van die dag hoor je meteen of je de onderdelen gehaald hebt.
Tips voor de taaltoets van de politie
- Zorg dat je regelmatig leest. Dit is het enige advies dat op alle drie de onderdelen werkt.
- Let ook buiten de toets om op correct taalgebruik.
- Gebruik geen internettaal en geen afkortingen.
- Lees gevarieerd, want dat is wat je woordenschat vergroot.
- Oefen de regels waar je steeds op struikelt, niet de regels die je al kent.