Bij woordrelaties op de cognitieve capaciteitentest zie je twee woordparen naast elkaar, elk met een bovenste en een onderste woord. In het eerste paar zit een verband. In het tweede paar ontbreekt een woord, en je kiest uit vijf woorden het woord dat hetzelfde verband maakt.
Het antwoord is boom: een lens is een onderdeel van een camera, en een blad is een onderdeel van een boom. Het lastige zit in de opties. Daar staan woorden tussen die bij blad horen, maar niet op deze manier.
Bij sommige opgaven ontbreken beide woorden van het tweede paar. Dan kies je er twee uit acht, en tussen die acht staan ook paren die op een andere manier bij elkaar horen.
Hieronder staan tien woordrelaties uit onze eigen vragenbank, van makkelijk naar moeilijk. Je maakt ze meteen, zonder account, met na elk antwoord de uitleg erbij. Daaronder staat de aanpak.
De oefentest wordt klaargezet…
Wil je zien waar het misging?
Je krijgt de uitwerking per onderdeel, zodat je weet waar je als eerste mee aan de slag moet.
Benoem het verband hardop
De vaste aanpak is een extra stap, en die stap kost twee seconden: zeg eerst in een zin wat het verband is tussen de twee woorden van het eerste paar. Pas daarna kijk je naar de opties.
Bij lens en camera is dat: het eerste is een onderdeel van het tweede. Zet blad in die zin en alleen boom past. Groen, herfst en tak horen ook bij blad, maar niet als het geheel waar een blad een deel van is.
Verbanden die je tegenkomt
In de oefentest van de politie kwamen onder meer voor: man en vrouw, een apparaat en een nieuwere vorm ervan, een tegenstelling, iets specifieks en de groep waar het bij hoort, en een woord dat achterstevoren een ander woord is. In onze vragenbank zitten deze verbanden:
- Man en vrouw. Oom en tante, koning en koningin.
- Tegenstelling. Begin en einde, breed en smal.
- Soort en groep. Eik en boom, roos en bloem. Ook andersom, van de groep naar een voorbeeld.
- Deel en geheel. Wiel en auto, bladzijde en boek.
- Gereedschap en beroep. Troffel en metselaar, stethoscoop en arts.
- Voorwerp en handeling. Schaar en knippen, bezem en vegen.
- Dier en jong. Paard en veulen, schaap en lam.
- Dier en woning. Bij en korf, vogel en nest.
- Achterstevoren. Nek en ken, maan en naam. Hier gaat het niet om betekenis, en de foute opties zijn juist woorden die qua betekenis passen.
Twee lege vakjes
Ontbreken beide woorden van het tweede paar, zoek dan eerst welke twee opties samen een paar vormen. Tussen de acht staan meestal meer paren, elk met een ander verband. Alleen het paar met hetzelfde verband als het eerste paar is goed. Let ook op de volgorde: het woord dat hoort bij het bovenste woord van het eerste paar, komt bovenaan.
Waar het misgaat
Twee dingen, allebei onder tijdsdruk.
Het eerste is dat je het verband te vaag maakt. “Hebben met elkaar te maken” is geen verband; daar passen alle opties op. Hoe scherper je het formuleert, hoe minder opties overblijven.
Het tweede is de richting omdraaien. Bij eik en boom is het verband “is een soort”, niet “hoort bij”. Draai je hem om, dan kom je uit bij een antwoord dat op het eerste gezicht ook klopt, en dat is precies waar de foute opties voor gemaakt zijn.
Waarom dit type snel loont
Woordrelaties zijn een van de drie onderdelen van de cognitietest, naast letterpatronen en cijferpatronen. Ze horen bij de types waar je het snelst in verbetert, omdat de winst uit herkenning komt en niet uit rekenen. Wie de verbanden hierboven kent, haalt er binnen een paar oefensessies meer uit dan met welke woordenlijst dan ook.
Geschreven door Ronny Rockx
Laatst gecontroleerd op 12 oktober 2026: gehouden tegen de oefentest van de politie. Woordrelaties zijn daar twee woordparen met vijf opties, of acht bij twee lege vakjes.