Onderdeel van Cognitieve capaciteitentest politie
Een cijferreeks oplossen voelt als iets wat je wel of niet ziet. Je kijkt ernaar, en of het valt kwartje of het valt niet. Bij de makkelijke reeksen werkt dat prima. Bij de reeksen die op de capaciteitentest het verschil maken, werkt het niet, en dan zit je te staren terwijl de klok loopt.
Het alternatief is saai en het werkt: een vaste volgorde die je bij elke reeks afloopt, ongeacht hoe hij eruitziet.
De volgorde
- Bereken de verschillen. Schrijf onder de reeks wat er telkens bij komt of af gaat. Bij 4, 7, 10, 13 is dat 3, 3, 3. Klaar.
- Is het verschil constant? Dan ben je er. Zo niet, ga door.
- Bereken de verschillen van de verschillen. Bij 2, 4, 8, 14 zijn de verschillen 2, 4, 6 en die lopen zelf met 2 op. Het volgende verschil is dus 8 en het antwoord 22.
- Werkt optellen niet? Probeer delen. Deel elk getal door het vorige. Komt daar steeds hetzelfde uit, dan is het een vermenigvuldiging.
- Kijk of er twee reeksen door elkaar lopen. Neem het eerste, derde en vijfde getal apart, en daarna het tweede, vierde en zesde. Dit is de vorm die de meeste mensen missen.
- Blijft het staan? Ga door. Een reeks die na twintig seconden niet valt, kost je de drie makkelijke die erachter stonden.
Die laatste stap hoort er echt bij. Hij voelt als opgeven en hij is het niet: de test meet hoeveel je er goed hebt in de tijd, niet of je elke vraag kunt kraken.
De patronen die je tegenkomt
Het aantal vormen is beperkt. Dit zijn ze, met een voorbeeld erbij.
| Vorm | Voorbeeld | Waaraan je hem herkent |
|---|---|---|
| Constant verschil | 4, 7, 10, 13 | De verschillen zijn allemaal gelijk |
| Oplopend verschil | 2, 4, 8, 14 | De verschillen lopen zelf regelmatig op |
| Vermenigvuldiging | 5, 10, 20, 40 | Delen door het vorige getal geeft steeds hetzelfde |
| Maal plus | 3, 7, 15, 31 | Keer twee en er komt telkens hetzelfde bij |
| Kwadraten | 1, 4, 9, 16 | De verschillen zijn 3, 5, 7: oneven en oplopend |
| Som van de twee vorige | 1, 1, 2, 3, 5 | Elk getal is de som van de twee ervoor |
| Twee reeksen door elkaar | 2, 20, 4, 17, 6, 14 | De verschillen springen heen en weer |
Die laatste is de vervelendste. De verschillen zien er willekeurig uit (18, min 16, 13, min 11) en dat is precies het signaal: springen de verschillen om en om van teken of van grootte, kijk dan of er twee reeksen door elkaar heen lopen.
Zo ziet zo’n vraag er in het echt uit

Oefenen met een klok, vanaf de eerste keer
Dit is de fout die het meeste kost. Thuis rustig een reeks uitpuzzelen traint het oplossen, en de test meet het oplossen op tijd. Dat zijn twee verschillende vaardigheden.
Zet er dus vanaf de eerste sessie een tijd op, ook als je daar de eerste weken op stukloopt. Het gaat vanzelf sneller zodra je de zeven vormen hierboven niet meer hoeft te bedenken maar herkent.
Wat je na elke vraag doet
Kijken of hij goed was zegt niets. Kijken hoe je hem had moeten aanpakken zegt alles. Bij een fout: welke stap uit het lijstje had je hem gegeven? Meestal is het antwoord stap 5, en dan weet je meteen waar je de volgende keer eerder naar kijkt.
Op de pagina over cijferreeksen oefenen staat hetzelfde stappenplan met meer voorbeelden per vorm.